Filistijnen
English: Philistines

De Filistijnen waren een zeevarend volk dat zich aan het eind van het 2e millennium v.Chr. op de kuststrook in het zuiden van Kanaän vestigde en intensieve contacten lijkt te hebben onderhouden met Alashia (Cyprus), Myceens Griekenland en Minoïsch Kreta.[1] De Filistijnen stichtten vijf onafhankelijke stadstaten, die een soort stedenbond vormden (pentapolis). Gedurende de 12e en 11e eeuw v.Chr. hadden de Filistijnen de hegemonie in het gebied, maar in de eeuwen daarna zagen ze hun macht tanen. Tijdens de neo-Assyrische periode (ca. 800-626 v.Chr.) beleefden de Filistijnse steden opnieuw een periode van bloei. Na de verovering door de Babyloniërs in 604 v.Chr. zijn de Filistijnen geleidelijk opgegaan in omliggende volken.

Dankzij opgravingen in Filistijnse plaatsen wordt er almaar meer bekend over de Filistijnse cultuur. Van belang is met name het Filistijns aardewerk, dat zich door kunstige patronen onderscheidt van Kanaänitisch aardewerk uit deze periode en dat vaak wordt gebruikt om Filistijnse archeologische vondsten te dateren. Uit de archeologische gegevens blijkt dat de cultuur van de Filistijnen zich in de 12e en 11e eeuw duidelijk onderscheidt van die van de andere volken in de levant, maar dat er vanaf de 10e eeuw sprake is van culturele assimilatie aan omliggende culturen. Dat blijkt op gebieden als voeding, taal en schrift, maar ook op het gebied van de godsdienst. Aanvankelijk vereerden de Filistijnen een godin, vermoedelijk de moedergodin uit de Myceense of Minoïsche beschaving. Later namen zij ook Kanaänitische en Egyptische goden op in hun pantheon.

In de Hebreeuwse Bijbel worden de Filistijnen vaak genoemd als tegenstanders van de Israëlieten. Daarnaast worden de Filistijnen vermeld in Egyptische, Assyrische en Babylonische bronnen. Ook uit enkele meer recent gevonden Filistijnse inscripties kunnen gegevens worden afgeleid met betrekking tot de Filistijnen.