Alchemie | geschiedenis
English: Alchemy

Geschiedenis

Alchemie bestrijkt diverse filosofische tradities verspreid over ongeveer vier millennia en drie continenten. Men kan ten minste drie grote tradities onderscheiden die grotendeels onafhankelijk van elkaar ontstonden: de Chinese alchemie, de Indiase alchemie en de westerse alchemie. Deze laatste ontstond rond de Middellandse Zee, waarbij in de loop van een paar millennia zich een alchemie ontwikkelde in achtereenvolgend het Oude Egypte, het hellenisme van de klassieke oudheid (nog altijd met Egypte als belangrijk centrum) en de Arabische periode van de vroege middeleeuwen. De Arabische alchemie bouwde voort op hellenistische ontwikkelingen, maar voegde ook nieuwe elementen toe. Het is via de Arabische geschriften dat de discipline het Latijnse Europa bereikte, vooral via het Iberische schiereiland. Sedertdien verspreidde het vakgebied zich over Europa.[19] Chinese alchemie was nauw verbonden met het taoïsme en de Indiase alchemie met de dharma-religies, terwijl westerse alchemie haar eigen filosofische systeem ontwikkelde onder invloed van diverse westerse religies. In hoeverre de genoemde drie tradities elkaar in de loop der tijden hebben beïnvloed en of ze mogelijk een gemeenschappelijke oorsprong hebben, blijft een onbeantwoorde vraag.

Chinese alchemie

1rightarrow blue.svg Zie ook Chinese filosofie

De vroegste Chinese alchemisten lijken de taoïsten geweest te zijn. Aan de oorsprong van deze traditie zou de wijze Lao Tzu liggen, die leefde omstreeks 550 v.Chr. De beschrijvingen van de Tao (de weg) hebben veel gemeen met de prima materia zoals bijvoorbeeld Paracelsus ze opvatte, namelijk als 'de Moeder van Alle dingen' waarbij alle dingen geschapen zijn uit een enkele materie.

Terwijl de westerse alchemie uitgaat van 4 elementen en 3 principes, maakt de Chinese alchemie gebruik van de elkaar complementerende principes van yin en yang. Yin representeert hierbij het passieve, vrouwelijke element, en yang het actieve mannelijke. (In de westerse alchemie vinden we ditzelfde idee terug onder verschillende namen: sulfur en mercurius, het vaste en het vluchtige, Sol en Luna, Koning en Koningin.)

Zoals ook in het westen het geval is, kwam alchemie in twee vormen voor:

  • een innerlijke, spirituele alchemie, Neidan genoemd
  • een praktische, (laboratorium)alchemie, Waidan genoemd

De 'uiterlijke' Waidan-alchemie was dominant tot ongeveer de 12e eeuw, waarna onder invloed van het boeddhisme Neidan de overhand kreeg. Het hoofddoel van Waidan was het elixer of de 'pil' van onsterfelijkheid. De Chinese alchemisten deden in hun laboratoria als gevolg van hun zoektocht naar dat elixer talrijke ontdekkingen en legden zo de fundering van de Chinese wetenschap en de scheikunde in het bijzonder.[20]

Indiase alchemie

1rightarrow blue.svg Zie ook Indiase filosofie

Net zoals Chinese alchemie ondenkbaar is zonder taoïsme, zo is Indiase alchemie ondenkbaar zonder het hindoeïsme. En net zoals haar Chinese tegenhanger is de Indiase alchemie vooral bezig met de productie van elixers om het leven te verlengen. Het idee dat twee tegenstellingen (polariteiten) aan de basis liggen van de dingen is ontleend aan het hindoeïsme: Shakti als vrouwelijk principe is de actieve Moeder/Vernietiger, en is de oorzaak van de eindeloze verandering van de wereld. Shiva daarentegen is de constante, passieve, mannelijke energie. Het lijkt er ook op dat de Chinese en Indiase traditie deze principes delen en dat er een vorm van uitwisseling is geweest. Indiase alchemie heeft ook een aantal overeenkomsten met yoga en tantra: alle drie streven ze zuiverheid van lichaam en geest na, een soort veredeld lichaam waar tijd en verval geen vat op hebben. De adembeheersing en het werk met de chakra's vindt men bijvoorbeeld ook terug in zowel tantra als Indiase alchemie. Beiden streven ernaar om latente energieën in het lichaam vrij te maken met als uiteindelijk doel het bereiken van verlichting. De gelijkenis met wat westerse alchemisten van de Steen der wijzen verwachtten is opvallend. Bij de oudste Indiase alchemistische teksten horen degene die worden toegeschreven aan Nagarjuna, een Boeddhistische wijze. In zijn geschriften benadrukt hij - net zoals de westerse alchemisten - dat al wie het alchemistische pad wil bewandelen, behalve intelligent en volhardend, vooral zuiver van geest moet zijn.

Indiase alchemisten deden ook wetenschappelijke uitvindingen die pas later het westen zouden bereiken. Zo ontdekten ze reeds in de 12e eeuw het belang van de kleur van de vlam bij de analyse van metalen, en sommige metallurgische processen kenden ze al drie eeuwen vóór Paracelsus, Agrippa en Agricola. Ook het intern (medicinaal) gebruik van metalen pasten ze zes eeuwen vóór Paracelsus toe. Onze moderne 'vitaminepil is hier een afstammeling van.

De Tamil Siddhars uit Zuid-India claimden af te stammen van een verzonken continent dat ooit in de Indische Oceaan had gelegen. Zij waren yogameesters en benadrukten dat het doel van het 'Grote Werk' zelfontwikkeling was en niet de productie van edele metalen. Volgens hun traditie zou de eerste Siddhar Agastyar geweest zijn, een legendarische wijze die - net zoals Hermes Trismegistus in het westen - als een soort leraar de kennis van kunsten en wetenschappen aan de mensheid zou hebben doorgegeven.

Egyptische alchemie

Het spoor naar de oorsprong van de westerse alchemie leidt naar het oude faraonische Egypte. Metallurgie en mystiek waren onlosmakelijk met elkaar verbonden in de oude wereld. Er wordt door Zosimos beweerd dat alchemie in het Oude Egypte het domein was van de priesterklasse[21]

Egyptische alchemie is ons vooral bekend dankzij de geschriften van oude hellenistische (Griekse) filosofen, wier teksten vaak alleen overgeleverd zijn in Syrische en Arabische vertalingen. Originele Egyptische documenten over alchemie zijn schaars. Hieronder bevindt zich het Stockholm papyrus en het Leyden X papyrus. Vele geschriften gingen verloren toen keizer Diocletianus in 292 de verbranding van alchemistische boeken gebood na het onderdrukken van een opstand in Alexandrië, dat tot dan toe een centrum van Egyptische alchemie was geweest.

Volgens de legende zou de Egyptische god Thoth de stichter zijn van de Egyptische alchemie. Hij werd door de Grieken Hermes-Thoth of Hermes Trismegistus genoemd. Hij zou 'de tweeënveertig Boeken van de Kennis' geschreven hebben, die alle mogelijke domeinen van kennis, alchemie inbegrepen, bestreken. Deze Hermes Trismegistus werd ook gezien als de centrale figuur van het Hermetisme, een laat-klassieke, mystieke stroming. De geschriften daarvan, de Hermetica, zijn vooral van filosofisch-theologische en neoplatonische aard. Er bestaat echter het misverstand dat het hermetisme per definitie sterk verbonden is met alchemie. Zo wordt in het Corpus hermeticum niet verwezen naar alchemie.[22] Wel was het symbool van Hermes de caduceus of slangenstaf, die in vroegmoderne, alchemistische symboliek voorkomt, en tevens is een belangrijke hermetische tekst in latere tijd alchemistisch geïnterpreteerd, t.w. de Tabula Smaragdina of 'Smaragden tafel'.[23]

Hellenistische alchemie

1rightarrow blue.svg Zie ook Hellenistische alchemie.

De hellenistische stad Alexandrië in Egypte was een centrum van Griekse alchemistische kennis, en behield haar reputatie gedurende het grootste deel van de Griekse en Romeinse tijd. De Grieken eigenden zich de hermetische opvattingen van de Egyptenaren toe en vermengden deze met hun eigen filosofieën zoals het pythagorisme, de Griekse natuurfilosofie en het gnosticisme. Ook elementen uit het werk van Plato en Aristoteles zijn opgenomen in de hellenistische versie van de alchemie.

Zeer belangrijk was een concept uit de klassieke, Griekse filosofie, namelijk het idee dat alle dingen in het universum ontstaan zijn uit slechts vier elementen: aarde, lucht, water en vuur. Dit concept was ontwikkeld door Empedocles en later uitgewerkt door Aristoteles.

Romeinse alchemie

De Romeinen adopteerden de Griekse alchemie en metafysica, zoals ze dit ook met de wetenschap en filosofie deden. De ontwikkeling van het christendom in het Romeinse Rijk bracht echter een verandering in de algemene houding ten aanzien van de alchemie, vooral door de invloed van Augustinus van Hippo (354-430), een vroegchristelijke filosoof die schreef over zijn geloof kort voor de val van het West-Romeinse Rijk. Hij stelde dat zowel de rede als het geloof zouden kunnen worden gebruikt om God te begrijpen en daarin was geen plaats voor experimentele filosofie. Deze gedachten van Augustinus maakten de alchemie in de middeleeuwen verdacht en wie zich ermee bezighield ging in tegen de christelijke leer.

Islamitische alchemie

Jabir ibn Hayyan (Geber), 15e-eeuwse afbeelding uit de Codici Ashburnhamiani 1166, Biblioteca Medicea Laurenziana in Florence
Cornelius Agrippa afgebeeld in Libri tres de occulta philosophia
Paracelsus.
1rightarrow blue.svg Zie ook Arabische filosofie

Na de val van het West-Romeinse Rijk verschoof de focus van de alchemistische ontwikkeling naar de islamitische wereld. Heel wat vroege geschriften over alchemie zijn dankzij Arabische vertaalwerkzaamheden sinds de 8e eeuw overgeleverd, en de islamitische alchemie zelf is ook goed gedocumenteerd. Het woord 'alchemie' is afgeleid van het Arabische woord al-الكيمياء kimia. Het Arabische cultuurgebied besloeg een deel van het eerdere Grieks-Romeinse cultuurgebied, onder andere het hellenistische Egypte. Daarom vormde de islamitische wereld een smeltkroes voor de alchemie. Klassieke natuurfilosofie, klassieke geneeskunde, hermetisme, gnosis, neoplatonisme en allerlei occulte praktijken werkten in op elkaar, wat maakt dat in de Arabische alchemistische overlevering velerlei verschillende elementen teruggevonden worden. Arabische en Perzische alchemisten verschijnen echter pas vanaf de 8e eeuw, zoals Khalid, Rhazes, Umail en Jabir (zie hierna).[24]

Wat in deze periode plaatsvond, is onder andere een synthese van enkele noties. Enerzijds was er het aristotelische idee van de twee dampen (exhalaties) van de aarde, zoals beschreven in Aristoteles' Meteorologica. Deze werden geacht verantwoordelijk te zijn voor de vorming van mineralen in de schoot van de aarde. Tegelijkertijd was er het Galenische idee van de vier lichaamssappen die een precieze balans kenden. Gecombineerd, leidde dit tot de vorming van het idee dat elk metaalsoort bestaat uit een precieze balans van twee principes, aangeduid met mercurius (kwik) en sulfer, die elk weer opgebouwd zijn uit de vier elementen. Deze verwijzen niet per se naar de alledaagse stoffen, maar naar abstracte principes. Deze mercurius-sulfertheorie verschijnt in het Corpus Jabiricum, teksten toegeschreven aan Jabir ibn Hayyan, en zou van groot belang zijn voor de latere alchemie: de alchemist kon nu proberen een metaal te ontleden in twee basissubstanties, en voor de juiste herschikking daarvan te zorgen om een nieuw metaal te verkrijgen.

Een tweede aspect dat aan de alchemistische overlevering werd toegevoegd was het idee dat de Steen der wijzen eigenlijk een medicijn is waarmee zowel metalen als mensen genezen kunnen worden.[25] Bij metalen werd namelijk verondersteld dat goud het perfecte metaal was, en hoewel het misschien lastig is te stellen dat het menselijk lichaam geperfectioneerd kon worden, kon het in elk geval gevrijwaard worden van ziekte en een vroege dood. De notie van de Steen als allesgenezer, een panacee, zou wijdverbreid worden in het Westen.

Belangrijk voor de alchemie als praktische wetenschap in het algemeen was Jabir ibn Hayyan (gekend als "Geber" in Europa). In de 8e eeuw introduceerde hij een nieuwe benadering van alchemie, gebaseerd op een wetenschappelijke methodiek, met in een laboratorium gecontroleerde experimenten. Door velen wordt Jabir dan ook beschouwd als 'de vader van de scheikunde", al geven anderen deze titel liever aan Robert Boyle of Antoine Lavoisier. Echter, ook in Jabirs werk treft men metafoorgebruik aan, terwijl vroegere, hellenistische teksten ook praktische elementen bevatten.

Islamitische alchemisten zoals Muhammad ibn Zakarīya Rāzi (Latijn: Rhazes) en de al genoemde Jabir ibn Hayyan droegen een aantal belangrijke chemische ontdekkingen bij, zoals de techniek van de distillatie (de woorden alambiek[26] en alcohol[27] zijn van Arabische oorsprong), muriatic[28] (zoutzuur), zwavelzuur (vitrioololie), salpeterzuur, soda, potas en meer.[29] De ontdekking dat aqua regia (koningswater) - een mengsel van salpeterzuur en zoutzuur - goud, de edelste aller metalen, kon doen oplossen, werkte sterk op de verbeelding van de alchemisten die na hen kwamen.

Middeleeuwse alchemie

1rightarrow blue.svg Zie ook Middeleeuwse filosofie

In deze periode trad een aantal afwijkingen op van de door Augustinus beïnvloede beginselen van de vroeg christelijke denkers. Sint-Anselmus (1033-1109) was een benedictijn die stelde dat geloof de rede moest voorafgaan, maar gaf tevens aan dat ze compatibel waren. Op die manier stimuleerde hij het rationalisme binnen een christelijke context. Er volgde een ware filosofische explosie. Petrus Abaelardus volgde Anselmus' werk en legde zo de basis voor de studie van Aristoteles, nog voor de eerste werken van Aristoteles het westen bereikten. Zijn belangrijkste invloed op de alchemie was zijn stelling dat Platoonse ideeën (nu universalia genoemd) geen apart bestaan buiten het bewustzijn hadden.

Albertus Magnus (1193-1280) en Thomas van Aquino (1225-1274) waren beiden Dominicanen die Aristoteles bestudeerden. Beiden trachtten de verschillen tussen filosofie en christendom te verzoenen. Thomas deed ook een groot deel van het werk in de ontwikkeling van de wetenschappelijke methode.

De eerste echte alchemisten in het middeleeuwse Europa waren pseudo-Geber[30] en Roger Bacon. Bacon (1214-1294) was een franciscaner van Oxford die naast alchemie optica en talen bestudeerde. Het franciscaanse ideaal om de wereld te nemen zoals hij was in plaats van hem af te wijzen, leidde tot zijn overtuiging dat experimenten belangrijker waren dan redeneren. Het werk van pseudo-Geber en Bacon betekende evenveel voor de alchemie en de daaruit voortvloeiende moderne chemie als het werk van de chemist Robert Boyle; wellicht soortgelijk aan de invloed van Galileo op de astronomie en natuurkunde.

De Fransman Nicolas Flamel was een van de weinige alchemisten die in deze voor alchemisten moeilijke periode schreef. Flamel leefde van ca. 1340 tot 1418[31] en zou het archetype worden voor de alchemisten na hem. Hij was geen religieuze geleerde zoals veel van zijn voorgangers. Zijn hele interesse in alchemie draaide rond de zoektocht naar de Steen der wijzen, waarvan hij ook beweerde de formule gevonden te hebben. Gedurende de late middeleeuwen (1300-1500) waren alchemisten net als Flamel geconcentreerd op zoek naar de Steen der wijzen en het elixer van de jeugd.

De Duitser Heinrich Cornelius Agrippa (1486 - 1535) was een alchemist die van zichzelf geloofde dat hij geesten kon oproepen. Zijn invloed was niet zo groot, maar net als Flamel produceerde hij geschriften waar door latere alchemisten naar verwezen zou worden.

Alchemie in de vroegmoderne tijd

De alchemist van Pieter Bruegel. Hij doet zijn laatste goudstuk in een brouwsel, zijn vrouw beweent haar lege beurs en de kinderen spelen in een lege voorraadkast. Door het raam ziet men hoe het afloopt: in het armenhuis.
1rightarrow blue.svg Zie ook Renaissancefilosofie

Algemene ontwikkelingen

De termen chemie en alchemie werden in de vroegmoderne tijd als synoniemen gebruikt en de verschillen tussen alchemie, chemie en onder andere metallurgie of zelfs kookkunst[32] waren niet zo helder afgebakend als in de huidige tijd.

De vroegmoderne tijd is een periode waarin alchemie ongekend populair werd en besproken werd in alle kringen van de samenleving. Boeken over alchemie in al zijn aspecten verschenen meer dan ooit tevoren. Een paar algemene ontwikkelingen moeten hier genoemd worden:

  1. Alchemie maakte deel uit van een invloedrijke medische hervormingsbeweging die startte met Paracelsus.
  2. Samenhangend met de drukpers, toenemende urbanisatie, geletterdheid en welvaart verschenen meer en meer alchemistische boeken, niet alleen in het Latijn, maar ook in de volkstalen.[33] Het gaat daarbij ook om vakgerichte boeken, zoals distilleerboeken, maar meer algemeen ook om handboeken. Wat dit genre betreft is vooral de Alchemia van Andreas Libavius uit 1597 (wel in het Latijn) van belang, welke bijdroeg aan de professionalisering en 'academisering' van het vak.[34]
  3. Alchemie maakte deel uit van wat een 'esoterisch veld' genoemd zou kunnen worden. Er was sprake van een toenemende belangstelling in hermetische, esoterische disciplines zoals magie, astrologie, hermetisme en neoplatonisme, waarbij de notie van universele sympathie niet onbelangrijk is.
  4. Alchemie interacteerde met die disciplines. Zo werd 'de' alchemistische theorie verrijkt met kosmologische principes via de neoplatonist Marsilio Ficino (de vertaler van het Corpus hermeticum) en Agrippa von Nettesheim.[35] De bezielende essentie in de kosmos (wereldgeest) werd nu bijvoorbeeld geïdentificeerd met de kwintessens. Daarbij stelde Ficino de metalen voor als levend, gelijk aan planten.[36] Verder begon men stukken uit de Bijbel ook alchemistisch te interpreteren, hoewel dat aanleiding tot controverse gaf.[37] Van dergelijke kruisbestuivingen was in de middeleeuwen geen sprake.
  5. De technologische potentie van alchemie werd steeds duidelijker, en werd benut door beschermheren.
  6. De interne diversiteit van het alchemistische vakgebied nam toe.

Paracelsus en medische alchemie

De belangrijkste naam in deze periode is de veel bestudeerde Aureolus Philippus Paracelsus (Theophrastus Bombastus von Hohenheim, 1493-1541). Hij verbond alchemistisch-chemische methoden en experimenten met de productie van specifieke geneesmiddelen (iatrochemie), en theoretiseerde tevens over het ontstaan en behandelen van ziektes, alsmede de plaats van de mens met ziel, lichaam en geest binnen de kosmos. Met paracelsianisme kan verwezen worden naar dit geheel van iatrochemie, kosmologie en ziekte- en mensbeeld. Paracelsus schreef verder echter ook nog over magie, astrologie en onorthodoxe religieuze ideeën (zie bijvoorbeeld de Philosophia Sagax).[38] Hoewel zijn medische hervorming in de loop van de zestiende eeuw veel navolging vond, kon niet elke iatrochemist zich in Paracelsus' ideeën vinden om wetenschappelijke, filosofische, morele of godsdienstige redenen.[39] Daarom kan het soms handig zijn een onderscheid te hanteren tussen paracelsianisme en iatrochemie. Paracelsus bestreed de op dat moment traditionele Galenische geneeskunde, waarmee hij tegen de gevestigde orde in ging. Tevens was hij een pionier in het gebruik van chemicaliën en mineralen in de geneeskunde, terwijl in de traditionele geneeskunde voornamelijk recepten o.b.v. organisch materiaal courant waren.[40] Toch treft men minerale geneesmiddelen bijvoorbeeld ook aan bij de vroegere Johannes Rupescissa (14e eeuw). Aan de medische theorie met de bekende vier elementen voegde Paracelsus voorts het tria prima van mercurius (kwik), sulfer en zout toe. Ziekte en gezondheid van het lichaam waren volgens hem afhankelijk van de harmonie tussen de mens (de microkosmos) en de natuur (de macrokosmos), en bij de behandeling van ziekten diende men specifieke medicamenten in te zetten, gericht op de ziekte(verschijnselen), i.p.v. op het weer in balans brengen van de traditionele, Galenische, lichaamssappen.

John Dee

Een goed voorbeeld van de algehele toename van belangstelling voor esoterie in de vroegmoderne tijd was, en is, de Engelsman dr. John Dee (13 juli 1527 - december 1608). Hij mag een leergierig universeel geleerde heten: hij studeerde op het vasteland wiskunde, geografie en rechten. Na beschuldigd te zijn van hekserij en majesteitsschennis vluchtte hij terug naar Engeland.[41] Daar werd hij wetenschappelijk adviseur van koningin Elizabeth I. Dee verdiepte zich in onder meer in cryptografie en astrologie, maar ook steeds meer in natuurmagie en alchemie. Op hem waren dan ook geleerden als Roger Bacon, Raimundus Lullus (Ramon Llull) en Agrippa von Nettesheim van invloed, namen verbonden aan alchemie en magie. Dee's groeiende interesses in alchemie, magie, astrologie en natuurfilosofie komen onder andere samen in zijn Monas Hieroglyphica uit 1564, gedrukt in Antwerpen. Dit betrekkelijk korte werk was duidelijk beïnvloed door de kabbala. Dee werkte een tijd samen met de exuberante Edward Kelley, met wie hij de weg van theürgie insloeg: zij voerden diverse seances uit en hadden engelengesprekken (een dagboek hiervan is bewaard gebleven) middels een kristallen bol.[41] Overigens claimde Kelley tevens een poeder te bezitten wat kwik zou veranderen in goud. Kelley zou door zijn exuberante uitspraken en gedrag aan de basis liggen van het populaire beeld van de alchemist-charlatan dat overal in de literatuur opdook.[42]

Tycho Brahe (1546-1601), beter bekend om zijn astronomische en astrologische onderzoeken, was ook een alchemist. Hij had voor dat doel een laboratorium laten bouwen in zijn Uraniborg observatorium.

Andere bekende namen in dit verband zijn bijvoorbeeld nog Bernard G. Penot (Penotus), Andreas Libavius, Isaac Hollandus, Jan Baptist van Helmont, Isaac Newton, George Starkey, Michael Maier, Joachim Tancke (Tanchius), Guglielmo Grataroli (Gratarolo, Gratarolus) en Heinrich Kunrath.

Ondergang van de westerse alchemie

In de loop van de zeventiende eeuw werd de traditionele alchemie minder invloedrijk en populair, en nam de kritiek op chrysopoeia ('goud maken') toe. Rond 1720 was de transmutationele alchemie zeer sterk op haar retour, en halverwege de eeuw werd het als iets obscuurs uit het verleden beschouwd. Ongeveer in die periode van de Verlichting ontstond, in het kader van de verlichtingsretoriek en -polemiek, het idee van de zuiver rationele en experimentele wetenschap met legitieme kennis tegenover obscure, ouderwetse en bijgelovige niet-legitieme kennis. Tot dat laatste werd samen met astrologie, natuurmagie, necromantie en waarzeggerij nu ook transmutationele alchemie gerekend. Die kant van de vroegmoderne 'chymie' werd nu het stereotype 'alchemie'.[43] Hoewel deze ontwikkeling al in de 17e eeuw begon, zou de alchemie nog 200 jaar aanhangers voor zich winnen en in feite beleefde zij in de 18e eeuw nog een hoogtepunt. Nog in 1781 beweerde James Price een poeder gemaakt te hebben dat kwik in zilver of goud kon transmuteren.

Robert Boyle (1627-1691) – die vooral bekend is geworden vanwege de wet van Boyle – was sterk geïnteresseerd in transmutationele alchemie, maar was tevens een pionier in de toepassing van de wetenschappelijke methode bij chemisch onderzoek. Met hem en wetenschappers als Antoine Lavoisier en John Dalton begon de 'moderne scheikunde'. Tegelijkertijd leidde de paracelsiaanse alchemie tot de ontwikkeling van de moderne geneeskunde. Wetenschappers als William Harvey ontdekten dankzij experimenten geleidelijk aan allerlei belangrijke lichaamsfuncties zoals de circulatie van de bloedsomloop, en later de ware oorsprong van allerlei ziektes (Robert Koch en Louis Pasteur, 19e eeuw) en de precieze functie van vitaminen ( James Lind, Christiaan Eijkman, Casimir Funk et al.).

De opkomst van het Verlichtingsdenken, met zijn opvatting van echte kennis en zijn disciplines, had tot gevolg dat de transmutationele alchemie (argyropoeia en chrysopoeia) niet meer als legitiem studieobject beschouwd werd, en het dezelfde weg opging als andere esoterische wetenschappen; het werd gezien als de belichaming van kwakzalverij en bijgeloof. Niettemin bleven de rozenkruisers en vrijmetselaars grote belangstelling voor de traditionele alchemie tonen; zo zijn er in de Bibliotheca Philosophica Hermetica en het Cultureel Maçonniek Centrum 'Prins Frederik' nog een groot aantal boeken over dit onderwerp terug te vinden.

In "Modern Alchemy, Occultism and the Emergence of Atomic Theory"[44] betwist prof. Mark Morrisson nochtans de verwerping van de alchemie als een soort voetnoot bij de wetenschap. Hij toont in deze studie de invloed van de alchemie op de ontluikende 19e- en 20e-eeuwse subatomaire wetenschappen aan. Hierbij maakt hij niet alleen gebruik van notities van laboratoria uit die tijd, maar ook van alchemistische teksten, wat hem brengt tot de conclusie dat tijdens de geboorte van de moderne kernfysica de wegen van wetenschap en occultisme - zo vaak als antithetisch beschouwd - voor korte tijd samenvielen. Hiermee staat Morrison in de traditie die sinds ruwweg twintig à dertig jaar gaande is en in hedendaags onderzoek naar vroegmoderne scheikunde/alchemie gangbaar is geworden (zie boven).