Belgische Revolutie | beleid

Beleid

De beide landsdelen hadden maar weinig gemeen, zeker wat het Franstalige gebied en de elite in het zuiden betrof. De culturele verschillen tussen het Noorden en het Zuiden waren steeds groter geworden sinds de scheiding in de zestiende eeuw. Het zuiden was katholiek en Franstalig gedomineerd, het noorden Nederlandstalig en protestants gedomineerd. De verschillen mogen echter ook niet overdreven worden, zeker wat betreft Vlaanderen. Zowel in het Noorden als het Zuiden was zowel de landbouw als de handel dominant en beide gebieden waren Nederlandstalig. Ondanks de dominantie van de protestante provincie Holland, was een bijna even grote groep katholiek in het noorden. Willem I was in dit opzicht gewend om te heersen over verschillende religies. In de eerste jaren werd nog gevreesd voor het uiteenvallen van de nieuwe staat. Men wilde erkenning van het katholieke karakter van het Zuiden en ook de verplichting mee te moeten betalen aan de enorme staatsschuld van het Noorden wekte weerstand op. Het Zuiden had een schuld van slechts 26 miljoen gulden, terwijl dit voor het Noorden 1726,5 miljoen gulden was, voor een derde rentegevend. Deze lage schuld van het Zuiden was mede het gevolg van de overheersing door vreemde mogendheden in het verleden, die de schulden in de eigen begroting dienden op te nemen.

Er waren nog verschillende andere vlakken waarop de Zuid-Nederlandse gewesten zich achtergesteld voelden. De Tweede Kamer bestond uit 110 leden: 55 voor de Zuidelijke Nederlanden met 3,5 miljoen inwoners en evenveel voor de Noordelijke provincies met 2 miljoen inwoners. De meeste staatsinstellingen waren in het Noorden gevestigd, terwijl de staatsambten ongelijk verdeeld waren: slechts één minister op vier kwam uit de Zuidelijke provinciën. Dit was niet helemaal een bewuste discriminatie, maar was gedeeltelijk te wijten aan de opstelling van de katholieke bisschoppen die hun gelovigen op straffe van excommunicatie verboden hadden om een overheidsbetrekking aan te nemen. Dit heeft vermoedelijk veel te maken gehad met de angst voor protestante dominantie en de Franstalige gerichtheid van de katholieke leiders. De richtlijn dateerde reeds van 1815 en werd uitgevaardigd door de Gentse bisschop van Franse afkomst Maurice de Broglie. Hierdoor kreeg het nieuwe bewind niet de kans om zijn godsdienstige tolerantie ten opzichte van de katholieken te tonen. Willem I wilde nochtans de grondwet aanpassen, zodat zijn opvolger katholiek kon zijn. In 1817 versoepelde aartsbisschop De Méan de houding van de Kerk en kon men voortaan, onder een bepaald voorbehoud, de eed afleggen en overheidsfuncties aanvaarden. Dit veranderde nochtans weinig aan de top, die een protestantse en Nederlandstalige dominantie afwees.

Het contingent, opgelegd aan de Zuidelijke Nederlanden bij de rekrutering van dienstplichtigen voor het leger, was onevenredig groot. Het Belgische aandeel in het officierenkorps was echter beperkt: slechts één officier op zes kwam uit de zuidelijke provinciën en dan nog vooral in de lagere rangen en bij de infanterie en de cavalerie. Het aantal officieren uit het Zuiden was echter minimaal bij de artillerie en de genie, waarvoor een gespecialiseerde opleiding nodig was. Aldus werd een meerderheid van de soldaten uit het Zuiden bevolen door officieren uit het Noorden. Het niet invoeren van de persvrijheid en van de vrijheid van vereniging (handhaven van de Wet le Chapelier) werd door de intellectuelen als een bijkomend middel tot controle uit het Noorden ervaren. Deze situatie kan verklaard worden door de sterke tegenwerking vanuit de Franstalige elite. Het dominante Franstalige officieren korps was een onberekenbare factor in het streven naar eenheid en stabiliteit.

In 1825 leek de staat dan echter toch gevestigd. De gevolgde politiek wist dit in de jaren daarna echter weer ongedaan te maken. Vanaf 1828 uitte dit zich in een diepe gezagscrisis, al leek dit aanvankelijk nog niet noodzakelijk te leiden tot het uiteenvallen van de staat.

Grondwet

De voorgestelde grondwet stuitte op veel tegenstand in het zuiden en werd met 796 tegenstemmen, 281 afwezigen op de totaal 1604 stemmen van de Belgische notabelen, verworpen. Willem I vond een interpretatie die men de 'telling op zijn Hollands' noemde: van de 796 nee-stemmen trok hij de 126 af die uitdrukkelijk de godsdienstkwestie als hun motief hadden vermeld. Hij voegde die 126 alsook de 281 afwezigen bij de 527 ja-stemmen, zodat de uitslag 934 ja tegen 670 neen werd.

Dit eerste verzet tegen de grondwet was al in 1815 georganiseerd door de erg Fransgezinde bisschop van Gent, Maurice de Broglie. De ultramontanen verwierpen de gelijke bescherming van alle godsdiensten en weigerden de eed op de constitutie af te leggen die dit bezegelde. In de publicatie Jugement Doctrinal werd de gelijkschakeling veroordeeld. Bovendien vroegen de Belgen om opname van de ministeriële verantwoordelijkheid in de grondwet, maar het voorstel werd toen afgewezen.[1] In 1817 week De Broglie voor zijn veroordeling uit naar Frankrijk. In de jaren daarna trad er acceptatie op en leek de katholieke kerk in de gehele Nederlanden de tolerantie te aanvaarden.

In 1828 werd de kritiek op een aantal onderdelen van de grondwet sterker. Deze kritiek kwam in het Zuiden van zowel liberalen als katholieken, maar in mindere mate ook vanuit het Noorden. Men wilde hierbij:

Kerkpolitiek

Het katholieke Vlaanderen en vooral de geestelijkheid bezagen de protestantse koning met grote argwaan. In en rond Antwerpen was er steun voor de regering omdat door de vereniging de Schelde weer opengesteld was.

Het al in 1808 opgerichte Departement van Eredienst werd in 1814 door Willem I gesplitst in het Departement van Hervormde Eredienst en het Departement van Rooms-Katholieke Eredienst. De katholieke kerk moest in het gehele land gelijk georganiseerd worden. De onder Napoleon ingezette gallicaanse hervorming in het Zuiden moest als voorbeeld dienen, ook voor de nog bisschopsloze missiekerk in het Noorden. Na moeizame onderhandelingen met de paus, werd met het Concordaat van 1827 besloten om het Concordaat van 1801 uit te breiden tot de noordelijke provincies. Willem I bleef echter vasthouden aan het idee van een nationale katholieke kerk. Zijn weigering om de stichting van nieuwe kloosters toe te staan en zijn invloed op de benoeming van bisschoppen zetten kwaad bloed bij de katholieken in het Zuiden. Er was uit het ultramontanisme een katholiek liberalisme ontstaan, dat zich verzette tegen overheidsingrijpen in kerkzaken. Latere concessies konden het wantrouwen ten opzichte van de calvinistische koning niet wegnemen.

Taalpolitiek

Om de verfransing, die door het Franse regime versneld was, tegen te gaan, werd het Nederlands met het Koninklijk Besluit van 1 oktober 1814 ook in het Zuiden de officiële taal. Voor de Fransgezinden was het een minderwaardige taal, terwijl het voor het dialectsprekende Vlaamse volk zogenaamd een vreemde taal was. In de eerste jaren daarna zou de versterking van de Nederlandse taal zonder dwang plaatsvinden, maar op 15 september 1819 werd het taalbesluit uitgevaardigd dat bepaalde dat na een overgangsperiode van drie jaar het Nederlands de enige taal voor bestuur en rechtspraak zou worden in al de door voornamelijk Nederlandstaligen bewoonde provincies Limburg, Antwerpen en Oost- en West-Vlaanderen. In 1822 werden hier de arrondissementen Brussel en Leuven aan toegevoegd. Dit was tegen de zin van de rijke, voornamelijk Franstalige, burgerij.

De steun die Willem I aanvankelijk in het Zuiden had, kwam voornamelijk uit de op economische ontwikkeling georiënteerde Franstalige, gematigd liberale hoek, waar men zich kon vinden in de gevolgde kerkpolitiek. Door de taaldwang wist hij echter ook deze groep van zich te vervreemden. De verfranste ambtenarij en burgerij reageerden scherp tegen de verplichte vernederlandsing van het leger, het gerecht, het bestuur en het onderwijs. Het bleek een van de belangrijke grieven in de petitiebeweging van 1828 en vooral 1829. In juni 1830 werden de taalbesluiten dan ook teruggedraaid.

Onderwijspolitiek

Om de vernederlandsing te bereiken, was het onderwijs het belangrijkste middel. Ook op dit gebied werd er een verlichte politiek gevoerd. Bij het lager onderwijs had dit weinig problemen opgeleverd, aangezien dit sterk verwaarloosd was geweest in het Zuiden tijdens de Franse tijd. Ook verhinderde de regering niet dat deze scholen uiteindelijk katholiek werden.

Bij het middelbaar onderwijs was de weerstand aanmerkelijk groter. De door de regering ingestelde athenea waren wel antiklerikaal, waardoor de Belgische geestelijkheid veel moeite had met deze instituten. Al in 1815 waren de bisschoppen begonnen met het stichten van kleinseminaries, een vooropleiding voor priesters die ook wel door anderen bezocht werd. De regering had hier meerdere bezwaren tegen. Allereerst was dit onderwijs onttrokken aan overheidstoezicht op kwaliteit en inhoud, maar daarnaast speelden ook antiklerikale motieven een rol. In 1825 werden tientallen kleinseminaries en andere colleges gesloten. In plaats daarvan werd het Collegium Philosophicum opgericht dat de vooropleiding moest worden van de grootseminaries. De weerstand van de clerus hiertegen was groot en in mei 1830 werd particulier middelbaar en hoger onderwijs weer toegestaan.

Welvaartspolitiek

Zoals ook de rest van zijn politiek gericht was op het bewerkstelligen van een 'amalgaam', een union intime et complète, gold dit ook voor zijn welvaartspolitiek. Vooral in de economisch moeilijke beginjaren zorgde het streven van Willem I om recht te doen aan beide delen van het land er echter voor dat vooral de tegenstellingen benadrukt werden. Door het wegvallen van het protectionistische continentaal stelsel ondervond de in het Zuiden tijdens de Franse tijd opgebloeide industrie de concurrentie van de goedkopere Britse industriële producten. Door de afscheiding van Frankrijk had deze industrie ook een groot afzetgebied verloren. In het Noorden speelde de oude tegenstelling tussen Oranje en de Amsterdamse koopmansstand, dat greep wilde blijven houden op de handel.

De jaren twintig zag echter een verbetering van de economische omstandigheden, waardoor vooral onder de antiklerikalen en industriëlen in het Zuiden de waardering voor de politiek van Willem I toenam. Antwerpen wist uit te groeien tot de belangrijkste havenstad van het koninkrijk. De Société Générale bleek zelfs zo succesvol dat ze de afscheiding in 1830–1831 overleefde.