Belgische Revolutie | gevolgen van de scheuring

Gevolgen van de scheuring

Economische gevolgen

Het separatisme dat leidde tot de Belgische secessie was voor de belangrijkste industriestad Gent een catastrofe. In 1832 verwerkte de Gentse textielnijverheid nog slechts 2 miljoen kg katoen, tegenover 7,5 miljoen kg in 1829. De meeste arbeiders waren als direct gevolg van de Belgische afscheuring werkloos geworden en de anderen verdienden nog amper 30% van hun loon uit 1829.

In de havenstad Antwerpen was de ramp nog groter. In 1829 bedroeg het scheepvaartverkeer in de haven 1028 schepen en 129.000 ton. Antwerpen verstouwde dat jaar zelfs dubbel zoveel goederen als Rotterdam en Amsterdam samen. In 1831 was het aantal schepen teruggevallen tot 398, en de handel met de koloniën herleid tot nul.

Culturele gevolgen

Onder het bewind van Willem I verdubbelde het aantal lagereschoolkinderen van 150.000 tot 300.000 dankzij de oprichting van 1500 nieuwe scholen. Omdat evenwel iedereen les kreeg in de volkstaal betekende dit dat in heel Vlaanderen (Brussel inbegrepen) alle scholieren 'onderworpen' werden aan Nederlandstalig onderwijs. Een van de eerste daden van het Voorlopig Bewind was dan ook de afschaffing van alle openbare scholen in België, met uitzondering van de Franstalige universiteiten van Gent en Luik die dienden om de nieuwe elites op te leiden.

Er werd door de Belgische staat een politiek van verfransing gevoerd die tot de dag van vandaag voelbaar is. Zo werd Brussel grotendeels verfranst en was de volledige ambtenarij (ook in Nederlandstalig Vlaanderen en Brussel) tot een eind in de twintigste eeuw volledig Frans. Het Nederlands werd als een samenraapsel van dialecten behandeld en niet als een taal die respect verdiende. Dit cultuurimperialisme leidde tot het ontstaan van de Vlaamse Beweging.

Repressie

Reeds snel na de Belgische Revolutie bleek een grote groep mensen twijfels te hebben bij hun nieuwe vaderland. Proteststemmen kwamen vooral van Vlaamse kant, bijvoorbeeld in de regio rond Gent, waar de textielindustrie zwaar te lijden had onder de nieuwe politieke situatie. Dit werd bekend onder de naam orangisme. Ook industriële steden, zoals Luik, hadden ook een grote orangistische partij. In de jaren 1831–1834 werden deze orangisten door knokploegen geplunderd en verjaagd. Tegen de plundering in april 1834 werd vrijwel niet opgetreden, maar gaven in het buitenland een slechte indruk omdat ze wel in de pers vermeld werden. In 1834 verbood minister van Justitie Joseph Lebeau zelfs het publiekelijk uitdrukken van orangisme. De jonge staat leek wel een oord van anarchie, en ook binnenlands werd het gebrek aan ordehandhaving voor het indijken van deze protestmarsen aangeklaagd. Hierna gingen de orangisten ondergronds om na 1839 het verzet op te geven.

Nationale vorming

Juist de volhardingspolitiek van Willem I zorgde voor een druk die voorlopig het unionisme stand deed houden. Hierdoor lag de nadruk niet op het religieuze, maar kon men werken aan natievorming. Door de voortdurende vijandschap van Nederland kon een nationaal besef ook sterker groeien. Andersom gold dit ook voor Nederland, waar Willem I jarenlang vrijwel geen oppositie meer had.

Europa

De Belgische omwenteling was een van de vele conflicten die tussen 1830 en 1832 het conservatieve systeem van 1815 bedreigden dat in Europa een machtsevenwicht moest brengen en de revolutionaire gedachte in moest dammen. De ligging van de jonge staat was dusdanig dat deze een verstorende invloed had op de bestaande verhoudingen. Een nieuwe Europese oorlog lag daardoor binnen de mogelijkheden en het zou jaren duren voordat de grootmachten België zouden accepteren als vaststaand feit. Omdat Willem I ervan uitging dat België een Europese oorlog niet als zelfstandige staat zou overleven, bleef hij vasthouden aan zijn volhardingspolitiek.

Nederland

De kostbare volhardingspolitiek van Willem I resulteerde na de onafhankelijkheid van België in hoge financiële lasten zonder baten. Daarnaast werkte het systeem niet meer waarbij de in het Zuiden gefabriceerde producten door noordelijke schepen vervoerd werden, zodat er economisch moeilijke tijden aanbraken voor Nederland. Het was nu duidelijk dat Nederland tot de kleine mogendheden behoorde en noodgedwongen begon men een neutraliteitspolitiek te volgen.